Augustinusleesgroep: eigentijds worstelen met begrip ‘erfzonde’

‘Met het begrip erfzonde, door Augustinus ontwikkeld en daarin gevolgd door Luther, Calvijn en 2 concilies (Cartago 418 en Trente 1515-1563), heb ik tot op vandaag een moeilijke relatie. Hoewel een centrale leerstelling van het christendom, blijft het voor mij een beladen woord.

Je zal maar starten met zo’n rugzak. Gaat deze leerstelling niet terug op een te letterlijke interpretatie van het Scheppingsverhaal en de zondeval? Is Christus niet eens en voor allen gestorven, om ons te maken tot vrije kinderen Gods?

In januari 2020 volgde ik op Canvas geboeid de vierdelige docureeks ‘Procureurs’. Enkele zinsneden van procureur Wenke Roggen (zie ook interview Tertio 05.02.2020) zijn blijven hangen: “Ik geloof dat een nieuwgeboren mens in se goed is, een onbeschreven blad. Vooral context of voorgeschiedenis laten hun sporen na. Dit ontslaat daders evenwel niet van hun verantwoordelijkheid. Tot een passionele moord is iedereen in staat die emoties kan beleven. Niemand is een baarlijke duivel.” Een op ervaring gesteunde en genuanceerde visie waarmee ik kan leven, zo lijkt mij.

Met het openbaar vervoer op weg naar de leesgroep, ontmoet ik een bekende en raak over dit onderwerp in gesprek. In drie woordjes van de procureur kon mijn  medepassagier zich niet vinden: ‘in se goed’ want wat doe je met een psychopaat die het niet geworden is maar wiens ziektebeeld is aangeboren (volgens de huidige stand van de wetenschap). Stappend richting Genthof laat ik die vraag even bezinken.

In de leesgroep, na mij kwetsbaar te hebben opgesteld door mijn worsteling met het woordje erfzonde in de groep te hebben gegooid, fluistert iemand mij toe: “Hoe oordeel je over kinderen/volwassenen met een zware mentale beperking/ziektebeeld. Hoe vrij zijn zij als het gaat over kiezen voor goed of kwaad?” Haar vraag en bezorgdheid snap ik maar al te goed. Zelf stond ik 40 jaar lang midden de leefwereld van jongeren en adolescenten met een meervoudige beperking. Vaak kunnen zij niet verantwoordelijk worden gesteld voor hun daden. Mijn spontane sympathie voor de Engelse monnik Pelagius, met zijn visie over de mens die geboren wordt als een ‘tabula rasa’ en in staat is vrij te kiezen tussen goed en kwaad, wordt hiermee voorgoed aan het wankelen gebracht. Maar moet deze aangeboren onvrijheid benoemd worden als erfzonde? Neen toch!?  De koffie en de taart brengen voor nu enig soulaas!

Toegegeven, geregeld deel ik de ervaring van Paulus:
Wat ik verlang te doen – het goede – laat ik na; wat ik wil vermijden – het kwade – dat doe ik. Ik ontdek in mij de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen…” (Rom. 7, 19 en 21).

Méér dan wie ook ben ik mij bewust van mijn kleinheid en falen, ondanks alle goede wil. Toch weiger ik om dat door mij verfoeide woord een domper te laten zetten op het geschenk van het leven, zoals het mij door de Schepper is gegeven.

Dogma’s en leerstellingen laat ik graag over aan theologen en andere bollebozen.

Iets in mij zegt dat dit het moment is om te bidden met psalm 51, 3 :
“Wees mij genadig, God, in uw trouw,
u bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet,
was mij schoon van alle schuld,
reinig mij van mijn zonden.”

Of zal ik zingen: “Geef mij een hart, een nieuw levend… gelovig… beminnend hart” en het verder aan Hem overlaten?

Thuisgekomen neem ik opnieuw het kaartje ter hand, dat mij toeviel bij het verlaten van de stille ruimte: “Voor zij roepen zal Ik hen antwoorden, terwijl ze nog spreken zal Ik hen verhoren.” (Jes. 65,24) en geef het een plaatsje in mijn zandschaal.

Wie weet komt het ooit nog wel goed met mij! – RF